Klokkehuis

Klokkenhuis

We werden geboren in een klok,
Als iets opgesloten in een hok.
Daarmee steunden ze het gewelf,
Maar het kreunde van het geweld.
Wijl de klok steeds maar zal tikken,
Zijn wij mee aan het knikken.
Je volgt de wijzers gedwee,
En draait met de ijzers mee.
Komen ze ons ooit achterna,
Doden ze ons ook allemaal.
Blijft immer dwars voor je turen,
Stijf in de mars door de uren.
Hoelang dat je ook maar zit te verstaren,
'k Ben bang dat je nooit daar zin zal ontwaren
De parade loopt er nog maar te dolen,
Een fa├žade hoog op de paardemolen.
Steeds in verhaaste vlucht voor ons leven,
Weer tot de laatste zucht voortgedreven,
Bewegen we als wielen voort en weer,
Bereden met de hielen door een veer.
Valle neer voor de klok ons altaar,
Alle eer voor de slok komt aldaar.
Uwe kreten zullen luiden.
Nu ge wete wat 't beduide.
De wijn int reeds in ene keer de geest;
De Tijd is steeds de ene Heer geweest.
Aldus de zin van heel ons leven:
Om het aan de dood over te geven.

No comments:

Post a Comment